ECLI:NL:RVS:2024:3150
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A. Kuijer
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens termijnoverschrijding
De Iraakse vreemdeling diende een asielaanvraag in wegens zijn homoseksuele gerichtheid en afwending van de islam, welke door de staatssecretaris werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarbij zij de termijnoverschrijding van het beroepschrift verschoonbaar achtte vanwege vakantie van de gemachtigde.
De minister stelde hoger beroep in en betoogde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, aangezien de gemachtigde onvoldoende maatregelen had getroffen tijdens zijn verlof. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de termijnoverschrijding verschoonbaar had verklaard, omdat het risico hiervoor bij de gemachtigde lag.
Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling, dat onder voorwaarde van gegrondverklaring van het hoger beroep van de minister was ingesteld, faalde. De Afdeling bevestigde dat de beroepstermijn van één week correct was toegepast en dat het beroep te laat was ingediend.
Verder werd getoetst of Bahaddar-omstandigheden (ernstige mensenrechtenschendingen) zich voordeden die de toepassing van de beroepstermijn konden verhinderen. De Afdeling vond dit niet het geval, mede omdat het standpunt van de minister over de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas niet evident onjuist was.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, het incidenteel hoger beroep ongegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn; het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard.