ECLI:NL:RVS:2024:4280
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- P.H.A. Knol
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van een passende bestuurlijke boete voor niet-gemelde vakantieverhuur in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan de huurder van een woning in Amsterdam een bestuurlijke boete op van € 6.000,00 wegens het niet vooraf melden van vakantieverhuur in september 2020, een overtreding van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. Na bezwaar matigde het college de boete naar € 3.000,00, maar de rechtbank verklaarde dat geen boete hoefde te worden betaald vanwege de korte overgangstermijn en onduidelijkheid over communicatie.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college bevoegd was de boete op te leggen en dat de meldplicht al sinds 2017 bestond, zij het in gewijzigde vorm. De Afdeling verwierp de stelling dat een langere overgangstermijn noodzakelijk was en dat een waarschuwing voldoende zou zijn geweest.
Wel vond de Afdeling de boete van € 3.000,00 onevenredig hoog voor een particuliere overtreder bij een eerste overtreding. Gelet op het belang van de meldplicht en het afschrikwekkende karakter van boetes, stelde de Afdeling de boete vast op € 1.500,00. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het de boetehoogte betreft, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd behalve voor proceskostenvergoedingen.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op € 1.500,00 in plaats van € 3.000,00.