ECLI:NL:RVS:2024:4285
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- M. Soffers
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Vaststelling lagere bestuurlijke boete wegens omzetting zelfstandige woonruimte zonder vergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellant een bestuurlijke boete van €12.570,- op wegens het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte zonder vergunning. De rechtbank matigde deze boete tot €9.000,- vanwege beperkte ernst van de overtreding. Appellant stelde in hoger beroep dat geen sprake was van overtreding omdat één bewoner inwonend was en dat de boete onevenredig hoog was.
De Raad van State oordeelde dat de overtreding van artikel 21 van Pro de Huisvestingswet 2014 onomstreden was, maar dat het boetestelsel zoals neergelegd in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 onvoldoende rekening houdt met bijzondere omstandigheden zoals de niet-bedrijfsmatige aard van de verhuur en de beperkte ernst, waardoor het boetestelsel in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en onverbindend is.
De Afdeling stelde daarom zelf de boete vast op €5.000,-, een bedrag dat passend wordt geacht gezien de omstandigheden van de zaak. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor de gemeenteraad om een boeteregime vast te stellen dat recht doet aan het evenredigheidsbeginsel.
Uitkomst: De Raad van State stelt de boete vast op €5.000,- en vernietigt de eerdere boetebepaling van €9.000,-.