ECLI:NL:RVS:2024:4087
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- P.H.A. Knol
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens omzetting zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten zonder vergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan twee zwagers, gezamenlijk eigenaar van een woning, elk een bestuurlijke boete van €18.000 op wegens het omzetten van zelfstandige woonruimte in zes onzelfstandige woonruimten zonder vergunning, in strijd met artikel 21 van Pro de Huisvestingswet 2014.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat sprake was van overtreding en stelde de boetes vast op €17.100, waarbij zij matiging toepaste wegens overschrijding van de redelijke termijn. De appellanten stelden dat zij één huishouden vormden en dat de boetes disproportioneel waren.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de overtreding, oordeelde dat de definitie van huishouden in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 bepalend is en dat er meerdere huishoudens waren. De Afdeling stelde vast dat het boetestelsel onvoldoende onderscheid maakt tussen bedrijfsmatige en particuliere verhuur, waardoor het boetebedrag in dit geval niet in redelijke verhouding staat tot het doel.
De Afdeling verklaarde de boetebedragen in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 onverbindend en matigde de boetes naar €7.650 per appellant, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De boetes wegens omzetting van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten zonder vergunning worden vastgesteld op €7.650 per appellant.