ECLI:NL:RVS:2024:5128
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering omzettingsvergunning en opdracht tot nieuw besluit in Den Haag
De appellant, eigenaar van een pand in Den Haag, vroeg een vergunning aan om zelfstandige woonruimte om te zetten in onzelfstandige woonruimte voor vier personen. Het college verleende aanvankelijk de vergunning op 24 maart 2020, maar trok deze later in en weigerde de vergunning op 1 april 2021 op grond van gewijzigde beleidsregels die een tijdelijke stop op dergelijke omzettingen instelden vanwege negatieve effecten op wooncomfort en leefbaarheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college het gewijzigde beleid niet als grondslag had mogen gebruiken zonder deugdelijke motivering. Het besluit van 1 april 2021 is daarom vernietigd. De Afdeling draagt het college op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het recht toepast dat gold ten tijde van het primaire besluit en de bezwaren inhoudelijk beoordeelt.
Daarnaast is vastgesteld dat de procedure de redelijke termijn heeft overschreden, waardoor appellant een schadevergoeding van €1000,- wordt toegekend, waarvan het college €333,33 en de Staat €666,67 betalen. Het college wordt ook veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Tegen het nieuwe besluit kan alleen beroep bij de Afdeling worden ingesteld.
Uitkomst: Het besluit van 1 april 2021 wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met toepassing van het juiste recht en motivering.