ECLI:NL:RVS:2025:111
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete wegens te late inburgering na overschrijding redelijke termijn
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellant een boete van € 1.250 op wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht binnen de gestelde termijn van 21 oktober 2016 tot 17 november 2019. Appellant stelde dat hem niet of slechts beperkt verwijt viel, omdat hij niet tijdig geïnformeerd was over de boete en de mogelijkheid tot ontheffing. De rechtbank verwierp deze argumenten en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de boete niet evenredig was en dat de staatssecretaris hem niet had gehoord in bezwaar. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant wel degelijk op de hoogte was van zijn verplichtingen en de mogelijke boete, en dat de staatssecretaris terecht van horen in bezwaar kon afzien. Wel werd vastgesteld dat de totale procedure ruim dertien maanden langer dan de redelijke termijn had geduurd, waardoor matiging van de boete op zijn plaats was.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 21 april 2021 voor zover deze de boete betroffen, herroept het boetebesluit van 17 januari 2020 en stelt de boete vast op € 1.000. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.
Uitkomst: De boete voor het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht wordt gematigd tot € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.