ECLI:NL:RVS:2025:1415
Raad van State
- Hoger beroep
- W. den Ouden
- J.C.A. de Poorter
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging bestuurlijke boete wegens overtreding Arbeidstijdenwet
Op 19 oktober 2019 voerde de Inspectie Leefomgeving en Transport een bedrijfsinspectie uit bij appellante vanwege mogelijke overtredingen van de Arbeidstijdenwet (Atw). Tijdens het onderzoek bleek dat voor één voertuig en één medewerker achttien dagen aan M-bestanden ontbraken, waardoor een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden ontbrak. Dit leidde tot een bestuurlijke boete van €20.750,00 opgelegd door de minister.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante gegrond en matigde de boete tot €19.712,50 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn onjuist had berekend en dat de boete daarom met 10% verminderd had moeten worden, wat resulteert in een boete van €18.765,00.
De Afdeling bevestigde dat de overtredingen terecht waren vastgesteld en dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat de ontbrekende gegevens wel tijdig waren aangeleverd. Ook werd geoordeeld dat de procedure binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden, zodat geen verdere matiging of immateriële schadevergoeding gerechtvaardigd was.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de hoogte van de boete betrof, stelde de boete definitief vast op €18.765,00 en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het eerdere besluit van 20 december 2021. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op €18.765,00 en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.