ECLI:NL:RVS:2025:3431
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel op grond van Dublinverordening
Betrokkene, met de Gambiaanse nationaliteit, vroeg om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat België volgens de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de asielprocedure.
De rechtbank vernietigde dit besluit en verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, waarna de minister hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep, waarbij ook deskundigen en advocaten betrokken waren.
De Afdeling oordeelde dat, hoewel de overdrachtstermijn was verstreken en Nederland verantwoordelijk werd voor de asielprocedure, de minister belang had bij beantwoording van de rechtsvragen over de toepassing van de Dublinverordening vanwege precedentwerking.
De Afdeling verwierp de grief van de minister dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog mocht worden toegepast voor België bij niet-kwetsbare alleenstaande mannen, verwijzend naar een recente uitspraak (ECLI:NL:RVS:2025:3305).
Hierdoor verklaarde de Afdeling het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbeterde gronden en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten aan betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.