ECLI:NL:RVS:2025:3432
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening ondanks verstreken overdrachtstermijn
Betrokkene, met Iraakse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat België volgens de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn voor de asielprocedure.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit. De minister stelde daarop hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de zaak en oordeelde dat, hoewel de overdrachtstermijn was verstreken waardoor Nederland verantwoordelijk werd voor de asielprocedure, de minister belang had bij beantwoording van de rechtsvragen over de Dublinprocedure vanwege precedentwerking.
De Afdeling verwees naar een recente uitspraak waarin werd vastgesteld dat de minister bij asielaanvragen van niet-kwetsbare alleenstaande mannen voor België niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op basis hiervan faalde de grief van de minister en werd het hoger beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van gronden en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.