ECLI:NL:RVS:2025:3583
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke bevestiging handhaving bouw zonder vergunning en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Het college van burgemeester en wethouders van Enschede legde op 4 maart 2020 een last onder dwangsom en bouwstop op aan appellant vanwege het bouwen van een schuur zonder omgevingsvergunning op een perceel met een agrarische bestemming. Appellant startte de bouw in de overtuiging dat deze vergunningvrij was, maar het college stelde dat de bouw vergunningplichtig was en in strijd met het bestemmingsplan.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het handhavingsbesluit. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die de zaak op 31 maart 2025 behandelde. Appellant voerde onder meer aan dat de onschuldpresumptie werd geschonden vanwege een strafrechtelijke vrijspraak, dat de schuur vergunningvrij kon worden gebouwd, dat het evenredigheidsbeginsel werd geschonden en dat het gelijkheidsbeginsel niet werd nageleefd.
De Afdeling oordeelde dat de onschuldpresumptie niet werd geschonden omdat de strafrechter prematuur oordeelde en het bestuursrechtelijk handhavingsbesluit geen twijfel over de vrijspraak uitte. De schuur was niet vergunningvrij omdat het perceelgedeelte een agrarische bestemming had die het bouwen van de schuur niet toestond. Het evenredigheidsbeginsel werd niet geschonden omdat het handhavingsbesluit noodzakelijk en proportioneel was. Het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden vanwege verschillen in omvang, gebruik en ouderdom van andere schuren.
Tot slot stelde de Afdeling vast dat de redelijke termijn van de procedure met vijftien maanden was overschreden, volledig toe te rekenen aan het college, en kende een forfaitaire schadevergoeding van €1500 toe, te verdelen over appellant A en B. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het college werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.