ECLI:NL:RVS:2025:549
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke handhaving bouwactiviteiten en monumentenzorg in pand te Utrecht
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde aan de eigenaar van een rijksmonument in Utrecht vier lasten onder dwangsom op wegens overtredingen van de omgevingsvergunning en archeologievergunning. De eigenaar voerde onder meer aan dat het vervangen van een entresol vergunningvrij was en dat het college had moeten afzien van handhaving vanwege pogingen tot legalisatie.
De rechtbank stelde het college grotendeels in het gelijk, maar vernietigde last 3 en het bijbehorende invorderingsbesluit. De eigenaar ging in hoger beroep tegen de overige lasten en de hoogte van de dwangsommen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college terecht handhavend optrad, omdat de werkzaamheden niet vergunningvrij waren en de monumentale waarden waren aangetast.
De schending van de hoorplicht werd geacht niet te leiden tot belangenbenadeling, omdat de eigenaar in de bezwaar- en beroepsfase voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunten naar voren te brengen. De hoogte van de dwangsommen werd als proportioneel beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhavingslasten onder dwangsom blijven in stand.