ECLI:NL:RVS:2025:724
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat feitelijke toegang tot gebruikelijke verblijfplaats niet relevant is voor asielprocedure
De zaak betreft een staatloze Palestijnse vreemdeling die een opvolgende asielaanvraag indiende nadat haar eerdere aanvraag was afgewezen. De staatssecretaris verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk en legde een inreisverbod op. De rechtbank had dit besluit vernietigd omdat zij oordeelde dat het ontbreken van feitelijke toegang tot de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), haar gebruikelijke verblijfplaats, relevant was voor de asielprocedure.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State herroept dit oordeel en stelt dat het ontbreken van feitelijke toegang tot het land van herkomst geen onderdeel uitmaakt van het asieltoetsingskader. Dit volgt uit het Unierecht en eerdere jurisprudentie. De Afdeling verduidelijkt dat de vraag naar toegang pas relevant kan zijn bij een andere verblijfsvergunningprocedure.
Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt ongegrond verklaard. De Afdeling oordeelt tevens dat de minister terecht een inreisverbod heeft opgelegd, ondanks de medische situatie van de minderjarige zoon van de vreemdeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkheid en het inreisverbod blijven in stand.