202405640/1/V3.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 augustus 2024 in zaak nr. NL24.25208 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Het belang van de minister bij het hoger beroep
1. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 30 maart 2023, E.E., S.N. en J.Y., ECLI:EU:C:2023:272 en de uitspraken van de Afdeling van 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4198 en ECLI:NL:RVS:2023:4199, is de overdrachtstermijn in deze zaak niet opgeschort en is deze verstreken op 18 september 2024. Dat heeft tot gevolg dat de minister betrokkene niet meer kan overdragen aan Polen en hem moet opnemen in de nationale asielprocedure. 2. Ondanks dat de termijn om betrokkene over te dragen aan Polen is verstreken, heeft de minister in dit geval nog belang bij de beoordeling van het hoger beroep vanwege de precedentwerking die van de uitspraak van de rechtbank kan uitgaan. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:896, onder 3, en 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4244, onder 4. Beoordeling van het hoger beroep
3. De in de eerste grief opgeworpen rechtsvraag over het gebruik van standaardtekstblokken in het voornemen in Dublinzaken, heeft de Afdeling bij uitspraak van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, onder 4.3 tot en met 4.8, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grief slaagt. 4. Ook de tweede grief slaagt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is het niet aan de minister om een nader onderzoek in te stellen naar de medische klachten van betrokkene als laatstgenoemde deze niet heeft onderbouwd met objectieve gegevens. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1186, onder 2.1. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat betrokkene bij zijn zienswijze weliswaar een medisch stuk heeft overgelegd, maar dat de minister hierop in het besluit van 18 juni 2024 adequaat heeft gereageerd. Zoals de minister in dat besluit terecht stelt, volgt uit het overgelegde stuk alleen dat betrokkene ziekenhuisafspraken heeft. Echter, hieruit volgt niet dat betrokkene onder specialistische medische behandeling staat of dat hij deze nodig heeft. Verder wijst de minister er in het besluit terecht op dat betrokkene ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat Nederland het meest geschikte land is om hem te behandelen en dat Polen dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland en dat daarom verwacht mag worden dat betrokkene in Polen medische behandeling kan krijgen. 5. De minister komt tot slot in haar derde grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij in het geval van betrokkene niet zonder nader onderzoek naar zijn medische situatie kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Polen. Betrokkene heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat de opvangvoorzieningen in Polen relevante systeemfouten bevatten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, onder 4. Uit het rapport van de Asylum Information Database (AIDA), ‘Country Report: Poland 2023 update’ en ook uit het AIDA-rapport, ‘Country Report: Poland 2024 update’, blijkt weliswaar dat sommige asielzoekers niet direct toegang hebben tot specialistische medische zorg in Polen en dat het soms maanden kan duren voordat zij deze zorg toch ontvangen, maar dit betekent niet dat asielzoekers structureel geen toegang hebben tot specialistische medische zorg in Polen. De minister wijst er in dat kader terecht op dat de betreffende passages uit de AIDA-rapporten geen grond bieden voor dat oordeel, omdat hieruit niet blijkt over hoeveel personen deze gaan. Evenmin geven deze passages enige informatie over de ernst en aard van hun klachten. Daarnaast volgt uit deze informatie dat, ook indien in een individueel geval specialistische medische hulp niet direct toegankelijk was, deze na tussenkomst van ngo’s uiteindelijk wel is verleend. De Afdeling merkt daarbij op dat vrijwel elk systeem van gezondheidszorg zekere beperkingen zal hebben ten aanzien van de toegang tot specialistische medische zorg en de aard of omvang van deze zorg. Deze beperkingen zijn al dan niet van tijdelijke aard en kunnen per lidstaat verschillen. Dergelijke beperkingen duiden niet zonder meer op systeemfouten. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft betrokkene met zijn beroep op de AIDA-rapporten dus niet aannemelijk gemaakt dat er in Polen sprake is van zodanige structurele tekortkomingen met betrekking tot de toegang van asielzoekers tot specialistische medische zorg, dat voor Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Alleen al daarom slaagt ook de derde grief. 6. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat de minister de asielaanvraag als gevolg van tijdsverloop alsnog in behandeling moet nemen, heeft betrokkene bereikt wat hij met het beroep beoogde. Daarom heeft betrokkene geen belang meer bij de beoordeling van zijn beroep. Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 augustus 2024 in zaak nr. NL24.25208;
III. verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
644-1086