ECLI:NL:RVS:2026:2770
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering openbaarmaking personeelsdossiers en persoonsgegevens ABD-managers
Appellant heeft op 27 maart 2022 een Wob-verzoek ingediend bij het ministerie van Financiën, dat deels betrekking had op informatie bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De minister van BZK heeft bij besluit van 3 november 2022 geweigerd de personeelsdossiers en persoonsgegevens van ABD-managers openbaar te maken, waarna het bezwaar van appellant op 13 juli 2023 ongegrond werd verklaard.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant grotendeels niet-ontvankelijk en ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en de gronden van appellant beoordeeld, waaronder de doorzendplicht, openbaarmaking van namen ABD-managers, zoekslag, verwijzingslinks naar reeds openbaar gemaakte stukken, dwangsom en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht de namen van ABD-managers niet openbaar maakte vanwege het belang van de persoonlijke levenssfeer. Ook oordeelde de Afdeling dat de minister geen dwangsom heeft verbeurd en dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en weigering tot openbaarmaking bevestigd.