Uitspraak
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
griffier
Raad van State
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [appellant A] en [appellant B], voormalig bestuurders van een vennootschap die Letse werknemers via een uitzendbureau tewerkstelde, bestuurlijke boetes op wegens het niet betalen van het wettelijk minimumloon. De boetes werden opgelegd na een onderzoek van de Arbeidsinspectie dat misstanden aan het licht bracht.
De rechtbank stelde vast dat de 30 Letse werknemers geen werkervaringscontracten hadden, maar arbeidsovereenkomsten en dat zij onderbetaald werden. De boetes werden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. [Appellant A] en [appellant B] voerden onder meer aan dat zij niet als feitelijk leidinggevenden konden worden aangemerkt en dat de boetes onterecht waren.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister terecht de vennootschap als werkgever en overtreder aanmerkte en dat [appellant A] en [appellant B] als feitelijk leidinggevenden konden worden aangesproken. De overtreding van artikel 7 van Pro de Wml was bewezen. De bezwaren tegen de hoogte van de boete en de procedure werden verworpen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De boetes van €82.500 aan de feitelijk leidinggevenden wegens onderbetaling van Letse werknemers worden bevestigd.