ECLI:NL:RVS:2019:3203
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.Th. Drop
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boetes voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen onder beroep op vrijheid van dienstverrichting
De zaak betreft boetes van elk €40.000,- opgelegd aan [appellante] wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boetes zijn opgelegd omdat vijf vreemdelingen werkzaamheden verrichtten zonder tewerkstellingsvergunningen in Nederland, terwijl zij via een Cypriotisch bedrijf waren gedetacheerd.
[Appellante] betoogde dat de werkzaamheden vielen onder de vrijheid van dienstverrichting zoals beschermd door de artikelen 56 en 57 van het VWEU, en dat de boeteoplegging daarmee in strijd was. De Afdeling toetste dit aan relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie, waaronder het arrest Essent, en concludeerde dat het vereiste dat de vreemdelingen gerechtigd moesten zijn om te werken en te verblijven in de lidstaat van de dienstverrichter (Cyprus) een ongerechtvaardigde beperking vormt.
De Afdeling oordeelde dat de vreemdelingen legaal in Duitsland werkten en verbleven, dat zij na de werkzaamheden terugkeerden naar hun land van herkomst, en dat er geen sprake was van een schijnconstructie. De boetes zijn daarom onrechtmatig opgelegd. Tevens werd het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit herroepen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de procedure binnen twee jaar werd afgerond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het boetebesluit van 30 augustus 2017 wordt herroepen wegens onrechtmatige beperking van de vrijheid van dienstverrichting.