Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3225

Raad van State

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002108
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 EVRMArtikel 17 DublinverordeningArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak over niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens gezondheidsrisico's overdracht

Betrokkene, een Afghaanse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de asielprocedure. Betrokkene stelde dat zijn ernstige psychische aandoeningen en traumatische ervaringen in Duitsland een overdracht onverantwoord maken.

De rechtbank vernietigde het besluit van de minister en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen met inachtneming van de uitspraak. De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de vraag of de minister voldoende onderzoek had gedaan naar de gezondheidsrisico's van betrokkene bij overdracht, met name of een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) had moeten worden ingewonnen.

De Raad van State oordeelde dat op grond van het arrest C.K. van het Hof van Justitie de minister een vergewisplicht heeft om bij objectieve medische gegevens over ernstige gezondheidsrisico's een BMA-advies in te winnen. De minister had dit nagelaten, ondanks de overgelegde medische stukken en verklaringen van betrokkene die ernstige psychische problematiek en suïcidale gedachten aantoonden.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vernietiging van het besluit en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.26.002108
Datum uitspraak: 5 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 april 2026 in zaak nr. NL26.17827 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 22 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.W. IJland, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.        Betrokkene heeft de Afghaanse nationaliteit. De minister heeft zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland hiervoor verantwoordelijk is. Het geschil gaat over de vraag of de gezondheidstoestand van betrokkene in de weg staat aan uitvoering van de overdracht aan Duitsland.
Het hoger beroep
2.        De minister klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op grond van de verklaringen van betrokkene en de door hem overgelegde medische informatie het op de weg van de minister had gelegen om een onderzoek door het Bureau Medische Advisering (BMA) op te starten en dat het aannemelijk is dat de overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand zal hebben, als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.
Het arrest C.K. en de vergewisplicht van de minister
3.        Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, volgt uit het arrest C.K. dat, wanneer een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Zie de uitspraken van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7, en 24 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1566, onder 3.1 en 3.2. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer een medisch deskundige het risico dat een vreemdeling suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht als reëel of hoog inschat. Zie in dat verband de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303, onder 4, en 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.2.
In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van door het BMA vastgestelde reisvereisten voorafgaand aan, tijdens of direct na de reis, de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 van Pro het EVRM als gevolg van de overdracht zelf wegnemen. Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92, onder 4.3, en van 24 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:586, onder 10.
Situatie van betrokkene
4.        Betrokkene heeft in de zienswijze gesteld dat het in zijn specifieke geval niet verantwoord is om hem over te dragen aan Duitsland als gevolg van zijn medische omstandigheden en de traumatische ervaringen die hij onder meer in de Duitse opvang heeft opgelopen. Hij heeft bij de zienswijze zijn volledige patiëntendossier overgelegd waaruit blijkt dat hij kampt met ernstige en complexe psychische problematiek, waarvoor hij met anti-psychotische medicatie en antidepressiva een behandeling ondergaat in Nederland. Een stem heeft tegen betrokkene gezegd: "Ga dood" en hij heeft de gedachte te zullen overlijden, maar hij heeft ook verklaard dat hij geen gedachte heeft om daarnaar te handelen. Ook blijkt uit het patiëntendossier dat hij angst heeft om teruggestuurd te worden naar Duitsland wegens de Dublinclaim. In beroep heeft betrokkene een verslag van zijn psycholoog overgelegd, waaruit blijkt dat hij op jonge leeftijd seksueel is misbruikt, waarna hij is verstoten door zijn vader, en dat hij daardoor last heeft van langdurige gevoelens van schaamte, angst en sociaal isolement. De huisarts heeft hem doorverwezen naar de Specialistische Geestelijke Gezondheidszorg. De psycholoog beschrijft dat betrokkene in Duitsland door landgenoten werd geïntimideerd, werd gepest en psychisch werd mishandeld. Deze omstandigheden hebben zijn bestaande traumaklachten significant verergerd. Volgens de psycholoog hebben deze ervaringen geleid tot hernieuwde gevoelens van onveiligheid, hyperalertheid en ernstige angstklachten. Ook vormt de huidige verblijfsprocedure een extra stressfactor. Het totaalbeeld laat volgens de psycholoog een continu hoge psychische belasting zien met onder meer ernstige PTSS, herbelevingen, nachtmerries, vermijdingsgedrag, depressieve symptomen, paniekklachten en cognitieve overbelasting. Ter zitting bij de rechtbank heeft betrokkene verklaard dat zijn leven kapot is, dat hij zijn leven niet meer ziet zitten en dat hij eigenlijk een einde aan zijn leven wil maken.
5.        De rechtbank heeft terecht overwogen dat het op de weg van de minister had gelegen om in deze zaak een BMA-advies op te vragen. Gelet op Werkinstructie 2021/3, paragraaf 5, en de onder 3 uiteengezette vergewisplicht, heeft de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van betrokkene niet deugdelijk gemotiveerd weggenomen. Betrokkene heeft immers tijdens deze procedure een beroep gedaan op het arrest C.K., omdat hij lijdt aan een ernstige mentale aandoening waarvoor hij onder actieve medische behandeling staat bij een psycholoog. Weliswaar stelt de minister terecht dat betrokkene geen medische stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat het risico op suïcide door een behandelaar als reëel of hoog wordt ingeschat, maar de minister heeft in dit geval de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van betrokkene in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM niet deugdelijk gemotiveerd weggenomen, gelet op de overgelegde objectieve medische gegevens van de psycholoog van betrokkene, in samenhang gezien met zijn eigen verklaringen. Betrokkene stelt terecht dat, anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635, er bij hem objectieve medische documentatie aanwezig is, die zijn suïcidale uitingen ter zitting ondersteunt en bevestigt dat zijn medische problematiek in verband staat met een overdracht aan Duitsland en door een overdracht kan verergeren. Betrokkene staat hiervoor ook onder medische behandeling bij GGZ speciaal in Nederland. De Afdeling concludeert dat een advies van het BMA, waarin ook eventuele reisvereisten aan de orde kunnen komen, niet achterwege kon blijven en dat de minister dus niet heeft voldaan aan de onder 3 uiteengezette vergewisplicht in het kader van het arrest C.K.
5.1.        De eerste grief slaagt niet.
De tweede grief
6.        De tweede grief over artikel 17 van Pro de Dublinverordening leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
6.1.        De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich, los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn, eenvoudig laat herstellen.
Geen prejudiciële vragen
7.        Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie
8.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026
979