ECLI:NL:RVS:2026:3781
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- V.V. Essenburg
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens verblijf in Italië
De minister van Asiel en Migratie verklaarde de asielaanvraag van betrokkene en haar twee minderjarige kinderen niet-ontvankelijk omdat zij internationale bescherming genieten in Italië, waar betrokkene sinds 2019 een verblijfsstatus heeft. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat betrokkene haar rechten als statushouder in Italië kan effectueren zonder risico op ernstige materiële deprivatie.
De minister stelde in hoger beroep dat betrokkene onvoldoende inspanningen had verricht om hulp te zoeken bij Italiaanse autoriteiten en dat er geen reëel risico is op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro Handvest. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister terecht stelde dat betrokkene haar rechten in Italië moet effectueren, maar dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister dit niet deugdelijk had gemotiveerd.
Betrokkene had geen klachten ingediend bij Italiaanse instanties en had geen pogingen gedaan om na haar zwangerschap werk te vinden of financiële ondersteuning aan te vragen. De minister mocht daarom verwachten dat zij zich tot de Italiaanse autoriteiten zou wenden. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het besluit van de minister standhoudt.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.