ECLI:NL:RVS:2026:4429

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202505021/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.P.M. van Ravels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WpbrArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid door verkeersovertredingen en recalcitrant gedrag

Securitas Nederland verzocht op 2 december 2023 toestemming van de korpschef om appellant beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. De korpschef weigerde deze toestemming op grond van onvoldoende betrouwbaarheid, gebaseerd op meerdere verkeersovertredingen en recalcitrant gedrag van appellant.

De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant gegrond en vernietigde het besluit van 28 mei 2024, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de korpschef terecht de betrouwbaarheid van appellant in twijfel trok vanwege structureel overtreden van verkeersregels en recalcitrant gedrag jegens politieambtenaren.

Nieuwe hogerberoepsgronden van appellant werden niet toegelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het verzoek om schadevergoeding wegens misgelopen inkomen werd afgewezen omdat het besluit niet onrechtmatig was. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor beveiligingswerkzaamheden wordt bevestigd.

Uitspraak

202505021/1/A3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2025 in zaak nr. 24/3832 in het geding tussen:
[appellant]
en
korpschef van politie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2024 heeft de korpschef een aanvraag van Securitas Nederland om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te mogen laten verrichten voor dat bedrijf afgewezen.
Bij besluit van 28 mei 2024 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 mei 2024 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 mei 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.R.G. Keijzer en mr. F. Schilders, advocaten in Amsterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. S.S. Madarie, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Op 2 december 2023 heeft Securitas Nederland aan de korpschef toestemming verzocht als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) om [appellant] beveiligingswerkzaamheden voor haar te laten verrichten. De korpschef heeft deze toestemming onthouden, omdat [appellant] volgens hem niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het verrichten van beveiligerswerk. De korpschef heeft aan de afwijzing meerdere verkeersovertredingen ten grondslag gelegd. Deze feiten zijn:
-        Op 15 januari 2022 heeft [appellant] twee strafbeschikkingen gekregen voor het besturen van een voertuig op 18 en 19 oktober 2019, terwijl hij niet in het bezit was van enig rijbewijs. Rijden zonder rijbewijs is een overtreding.
Verder zijn over [appellant] tien meldingen bekend van Mulder-gedragingen, of wel lichte verkeersfeiten die niet op de Justitiële Documentatie staan, namelijk:
-        [appellant] heeft op 3 maart 2023 een boete gekregen voor het stil laten staan van een voertuig waardoor gevaar of hinder kan worden veroorzaakt;
-        [appellant] heeft op 26 juli 2022 een boete gekregen voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden;
-        [appellant] heeft op 2 mei 2022 een boete gekregen voor handelen in strijd met een geslotenverklaring;
-        [appellant] heeft op 9 april 2022 een boete gekregen voor het negeren van een rood licht en een boete voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden;
-        [appellant] heeft op 13 oktober 2021 een boete gekregen voor het rijden in een voertuig zonder de vereiste verzekering;
-        [appellant] heeft op 28 juli 2021 en op 5 maart 2020 een boete gekregen voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden;
-        [appellant] heeft op 12 februari 2020 een boete gekregen voor het niet op eerste vordering afgeven van het rijbewijs en een boete voor het rijden met twee banden die niet de juiste profilering hebben.
Daarnaast valt het gedrag van [appellant], zoals door politieambtenaren in meerdere registraties over een langere periode wordt beschreven, in negatieve zin op:
-        Uit de politieregistratie (kenmerk PL 1300-2019160745) blijkt dat [appellant] betrokken is geweest bij een voorval op 31 juli 2019 in Amsterdam. Naar aanleiding van een melding van overlast van lachgasgebruik troffen verbalisanten [appellant] aan als lachgasverkoper en hebben zij [appellant] aangesproken. Ter plaatste was veel uitgaanspubliek en er lagen veel lege ballonnen op straat. Volgens verbalisanten was [appellant] erg vervelend door continu (verborgen) te filmen en erg de grens op te zoeken;
-        Uit de politieregistratie (kenmerk PL 1500-2019218901) blijkt dat [appellant] betrokken is geweest bij een voorval op 6 augustus 2019 in Den Haag. [appellant] zou een rekening (van € 425) niet hebben willen betalen aan de eigenaar van een garage voor het maken van zijn voertuig, omdat de eigenaar geen bonnetje kon overhandigen en [appellant] het te duur vond. Verbalisanten hebben aangegeven dat sprake is van een civiele zaak en dat zij hierin enkel kunnen bemiddelen. Volgens verbalisanten was [appellant] niet voor reden vatbaar. Ook was [appellant] volgens verbalisanten heel recalcitrant en vond hij dat de politieambtenaren hun werk niet goed deden;
-        Uit de politieregistratie (kenmerk PL 1300-2019259465) blijkt dat [appellant] betrokken is geweest bij een voorval op 10 december 2019 in Amsterdam. [appellant] werd door verbalisanten staande gehouden als bestuurder van een voertuig dat opviel. [appellant] nam het gesprek op met zijn telefoon;
-        Uit de politieregistratie (kenmerk PL 1300-2020022924) blijkt dat [appellant] betrokken is geweest bij een vooral op 31 januari 2020 in Amsterdam. Naar aanleiding van een melding van ruzie tussen ex-partners, waarbij hun zoontje van vijf jaar oud aanwezig zou zijn, troffen verbalisanten [appellant] aan als ex-partner. Er zou ruzie zijn geweest over de omgang met het kind;
-        Uit de politieregistratie (kenmerk PL 1300-2020032037) blijkt dat [appellant] betrokken is geweest bij een voorval op 12 februari 2020 in Amsterdam. Verbalisanten zagen een voertuig rijden waarvan een buitengebruikstelling open stond. De verbalisanten confronteerden [appellant] met de buitengebruikstelling bij een tankstation. [appellant] was van mening dat hij niet hoefde te betalen, omdat hij niet de te naam gestelde was. [appellant] bleef in discussie gaan en gaf aan dat hij zeker niet ging betalen en al helemaal niet als de auto afgestaan werd. Tijdens de discussie met de verbalisanten startte [appellant] de auto en probeerde hij weg te rijden. De verbalisant heeft geroepen dat hij moest blijven staan en gebruikte pepperspray om [appellant] te laten stoppen. [appellant] gaf hier geen gehoor aan en reed met hoge snelheid weg van de benzinepomp;
-        Uit de politieregistratie (kenmerk PL 1500-2020064415) blijkt dat [appellant] betrokken is geweest bij een voorval op 5 maart 2020 in Den Haag. De verbalisant controleerde het voertuig van [appellant], omdat hij constateerde dat [appellant] met een telefoon in zijn hand reed. Volgens de verbalisant begon [appellant] direct met filmen en had hij een grote mond. [appellant] was volgens de verbalisant zeer vervelend en recalcitrant.
2.       De korpschef beschouwt het structureel overtreden van de rechtsregels in samenhang met de verdenkingen van recalcitrant gedrag als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Hierdoor zijn de betrouwbaarheid en de integriteit van [appellant] volgens de korpschef niet boven iedere twijfel verheven. Daarom heeft de korpschef op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr de aanvraag om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten bij Securitas Nederland, afgewezen.
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 28 mei 2024 een zorgvuldigheidsgebrek heeft voor wat betreft twee feiten. Volgens de rechtbank heeft de korpschef met de onder 1 genoemde feiten alsnog voldoende gemotiveerd dat sprake is van een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde, omdat [appellant] structureel (verkeers)wet- en regelgeving naast zich neerlegt. De rechtbank heeft daarom de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. [appellant] is het hier niet mee eens.
Wettelijk kader
4.       De voor deze zaak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Hoger beroep
5.       [appellant] heeft op 15 mei 2026 nieuwe hogerberoepsgronden ingediend.
5.1.    Behalve in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen in beginsel ook na afloop van de hogerberoepstermijn of na afloop van een gegeven termijn voor het herstel van verzuimen als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, nieuwe gronden worden ingediend. Die mogelijkheid wordt wel begrensd door de goede procesorde. Bij de vraag of aan de eisen van een goede procesorde wordt voldaan, zal de bestuursrechter letten op de procespositie van de overige partijen. Zo zullen nieuwe gronden in hoger beroep niet worden toegelaten als de wederpartij te weinig tijd heeft om zich daarover inhoudelijk uit te laten, of als in een (te) laat stadium een geheel nieuw onderwerp aan de orde wordt gesteld. Dit zal ook niet gebeuren als inhoudelijke bespreking van de in een (te) laat stadium naar voren gebrachte gronden leidt tot aanhouding van de zaak met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partijen en een goede rechtspleging. Zie de uitspraken van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:363, onder 4.6, en 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853, onder 5.
5.2.    De Afdeling is van oordeel dat de door [appellant] ingediende nieuwe gronden in strijd zijn met de goede procesorde. De nieuwe gronden zijn in een te laat stadium ingediend. De korpschef heeft op de zitting bij de Afdeling aangegeven onvoldoende tijd te hebben gehad om zich over deze nieuwe gronden inhoudelijk te kunnen uitlaten, omdat deze de korpschef pas op 20 mei 2026 hadden bereikt. Die gronden vergen bovendien een ingewikkelde, principiële toetsing. Het zijn verder gronden die ook op een eerder moment ingediend hadden kunnen worden. De korpschef heeft nu te weinig tijd gehad om zich er inhoudelijk over uit te laten. Het beoordelen van deze nieuwe gronden kon ook niet tijdig voor de zitting door de Afdeling plaatsvinden door het late indienen hiervan. De duur van de procedure, het verzet van de korpschef tegen de behandeling van deze grond en de onnodige complicaties voor de Afdeling leiden tot het oordeel dat [appellant] deze nieuwe gronden eerder had moeten aanvoeren.
5.3.    De Afdeling komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze gronden wegens strijd met de goede procesorde.
6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef redelijkerwijs het standpunt heeft kunnen innemen dat hij niet over de betrouwbaarheid zou beschikken die nodig is voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden. Hij voert hiertoe aan dat de verkeersovertredingen geen tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde vormen, omdat het in dit geval slechts gaat om lichte verkeersovertredingen. De rechtbank geeft daarbij een te ruime interpretatie aan het criterium ‘tamelijk ernstig’. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] nog toegelicht waardoor hij op een bepaalde manier reageert. Vaak komen agenten op een later moment aan en daardoor weten zij niet wat aan een incident vooraf is gegaan. Als hem onrecht wordt aangedaan, reageert hij uit emotie geïrriteerd. Hij geeft verder aan dat politieambtenaren geïrriteerd raken, omdat hij langzaam praat. Tot slot betwist hij de politieregistraties waarin staat dat hij niet de-escalerend heeft gehandeld. Hij heeft namelijk beeldmateriaal dat niet overeenkomt met de politieregistraties.
6.1.    De korpschef heeft zich in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat de reeks aan overtredingen en politieregistraties, gelet op de aard, de hoeveelheid en het stelselmatig karakter ervan, aantonen dat [appellant] niet over de vereiste betrouwbaarheid beschikt. Met het structureel naast zich neerleggen van de verkeersregels is door [appellant] telkens opnieuw een gevaarzettende situatie in het leven geroepen, wat haaks staat op het normconform gedrag en het verantwoordelijkheidsgevoel wat van een (aankomend) beveiligingsmedewerker mag worden verwacht. Op de zitting bij de Afdeling heeft de korpschef nog toegelicht dat deze bevindingen in meerdere processen-verbaal staan die op ambtseed zijn opgemaakt.
6.2.    De korpschef heeft volgens vaste rechtspraak beoordelingsruimte bij de beoordeling of iemand voldoende betrouwbaar is voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden (zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:614). De korpschef mag daarbij als maatstaf hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven elke twijfel moet zijn verheven.
6.3.    De Afdeling overweegt dat ook verkeersfeiten van betekenis zijn bij de beoordeling van de bekwaamheid om iemand beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. In dit geval is namelijk sprake van een overtreding en een reeks verkeersfeiten, ter bescherming van de veiligheid in het verkeer, die gezamenlijk duiden op structureel normafwijkend gedrag. De Afdeling heeft eerder overwogen dat de korpschef het structureel overtreden van de rechtsregel dat niet zonder rijbewijs mag worden gereden redelijkerwijs heeft mogen aanmerken als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde (zie de uitspraak van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:456, r.o. 6.2). Daarbij komt dat uit de onder 1 genoemde verkeersfeiten volgt dat [appellant] herhaaldelijk recalcitrant gedrag richting verbalisanten vertoont. Deze registraties wekken het vermoeden dat [appellant] niet over het vereiste de-escalerende vermogen en de vereiste coöperatieve houding beschikt wat van een (aankomend) beveiliger mag worden verwacht. Van een beveiligingsmedewerker mag worden verwacht dat hij zich onthoudt van dergelijk recalcitrant gedrag, in het bijzonder jegens politieambtenaren. De Afdeling volgt de korpschef in zijn standpunt dat de hoeveelheid incidenten en de opeenstapeling van gedragingen in korte tijd haaks staan op wat van een beveiliger mag worden verwacht.
6.4.    Voor zover [appellant] de politieregistraties betwist, overweegt de Afdeling als volgt. Een bestuursorgaan mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de besluitvorming ten grondslag kunnen worden gelegd. Mede gelet op het aantal politieregistraties en de toelichting van [appellant] over zijn gedrag, ziet de Afdeling geen reden om in deze zaak te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de politie in de politieregistraties, die op ambtseed zijn opgemaakt. [appellant] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.
6.5.    Gelet op alle feiten en omstandigheden heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de korpschef met toepassing van de Beleidsregels redelijkerwijs het standpunt kon innemen dat [appellant] niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr.
6.6.    Het betoog slaagt niet.
7.       Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] verzocht om een schadevergoeding voor het misgelopen inkomen doordat hij geen beveiligingswerkzaamheden mag verrichten.
7.1.    Zoals uit bovenstaande overwegingen volgt, is het besluit van besluit van 28 mei 2024 geen onrechtmatig besluit. Daarom bestaat voor de korpschef geen verplichting tot het betalen van schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen.
Conclusie
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
9.       De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevallen;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding wordt af.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Westerbaan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
1050
BIJLAGE
Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
Artikel 7
1. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend stelt geen personen te werk die belast zullen verorden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van Onze Minister.
2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt e toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee.
3. […]
4. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid,  wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Indien de desbetreffende persoon een ambtenaar is als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de toestemming slechts onthouden indien deze persoon niet beschikt over de benodigde bekwaamheid. Voor de tewerkstelling van de overige opsporingsambtenaren wordt de toestemming slechts verleend na het overleggen van de ontheffing, bedoeld in artikel 5, vierde lid, en indien de desbetreffende persoon beschikt over de benodigde bekwaamheid.
(…).
Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019
3.3. Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden
De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:
a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
Ad a. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken)
De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet:
1) binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd of,
2) binnen vierjaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd
(…).
Transacties en strafbeschikkingen
Een transactie met het Openbaar Ministerie en een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar, worden gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
(…).
Afwijking termijnen
De korpschef, de Commandant van de Koninklijke Marechaussee. of de Minister van Justitie en Veiligheid, in het geval van een leidinggevende of een organisatie of recherchebureau zonder vestiging in Nederland, kan van de hiervoor onder 1 en 2 bepaalde termijnen afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is
gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.
Sepots, processen-verbaal en mutaties
Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of(geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.
Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt voor wat betreft de terugkijktermijn als uitgangspunt genomen de datum waarop het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren.
Termijn
De periode die in acht moet worden genomen bij toepassing van het bepaalde onder b is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De periode kan echter—behoudens uitzonderlijke gevallen — nooit langer zijn dan de 8 jaar als hiervoor genoemd.