Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 6 december 2013 in de zaak tussen
[naam 1], te [woonplaats], appellant
de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Voor de toepassing van de onderhavige verordening gelden de volgende definities:
(…)
c) „landbouwactiviteit”: landbouwproducten produceren, (…) of telen met inbegrip van het oogsten, (...) of de grond in goede landbouw- en milieuconditie als vastgesteld op grond van artikel 6 houden Pro; (…)
h) „landbouwgrond”: om het even welke grond die wordt gebruikt als (…), blijvend grasland (…).
(…)
a) om het even welke landbouwgrond van het bedrijf, (…), die wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of die, indien de grond ook voor niet-landbouwactiviteiten gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt, en (…) ".
Voor de toepassing van artikel 34, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt landbouwgrond van een bedrijf die ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, aangemerkt als overwegend voor landbouwdoeleinden gebruikte grond indien het uitoefenen van de landbouwactiviteit geen noemenswaardige hinder ondervindt van de intensiteit, de aard, de duur en de planning van de niet-landbouwactiviteiten. (…) "
21 september 2012 inzake de bedrijfstoeslag 2010 in strijd is met het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel. Tevens is het verweerder volgens appellant gelet op artikel 34, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 niet toegestaan om de subsidiabiliteit van een perceel landbouwgrond te beperken in artikel 5a van de Beleidsregels.
Het College zal daarom het beroep in deze zaak gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Tevens zal het College bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.