Uitspraak
Stichting Autoriteit Financiële Markten, te Amsterdam (hierna: AFM),
[naam 1], te [plaats] (hierna: [naam 1]),
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) en een registeraccountant gingen in hoger beroep tegen een uitspraak van de accountantskamer die een waarschuwing oplegde aan de accountant wegens onvoldoende controlewerkzaamheden op vastgoedbeleggingen in de jaarrekeningen 2006 en 2007 van Stichting Philips Pensioenfonds (PPF).
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de klachttermijn van drie jaar voor enkele klachtonderdelen was overschreden, waardoor deze niet-ontvankelijk verklaard moesten worden. Voor een ander klachtonderdeel, dat betrekking had op de post vastrentende beleggingen, werd vastgesteld dat AFM onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld om het verwijt te onderbouwen, waardoor dit klachtonderdeel ongegrond werd verklaard.
De maatregel van waarschuwing opgelegd door de accountantskamer werd vernietigd omdat de gronden daarvoor niet stand hielden. Het hoger beroep van AFM werd ongegrond verklaard, terwijl het hoger beroep van de accountant deels werd toegewezen. De zaak werd door het College zelf afgedaan met niet-ontvankelijkverklaring van klachtonderdelen I en II en handhaving van de ongegrondverklaring van klachtonderdeel IV.
Het oordeel benadrukt het belang van tijdige indiening van klachten binnen de wettelijke termijn en de noodzaak voor klagers om voldoende feiten en bewijs aan te dragen om tuchtrechtelijke verwijtbaarheid aan te tonen.
Uitkomst: Het College verklaart klachtonderdelen I en II niet-ontvankelijk wegens overschrijding klachttermijn en verklaart klachtonderdeel IV ongegrond, waarbij de maatregel van waarschuwing wordt vernietigd.