Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2015 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats 1] , appellante
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
13 november 2010 zijn gelost. Vervolgens zijn de dieren op 13 november 2010 in [plaats 4] in vrachtwagens geladen waarmee de dieren naar [plaats 2] in [land 1] zijn vervoerd, alwaar de dieren op 14 november 2010 zijn gelost.
21 januari 2011 ondertekende rapporten staat – kort gezegd – dat Control Union verklaart dat zij de dieren in opdracht van appellante heeft geïnspecteerd op de plaats van lossing te [plaats 2] in [land 1] , dat alle dieren in goede conditie zijn aangekomen, maar dat het transport niet is goedgekeurd en dat de trucks niet voldeden aan de EU regelgeving volgens de Transportverordening (de daken van de trucks waren niet licht gekleurd en er was geen ventilatiesysteem aan boord van de trucks).
22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) wordt met betrekking tot de producten van de sector rundvlees de restitutie bij uitvoer van levende dieren slechts toegekend en uitbetaald wanneer is voldaan aan de voorschriften van de Gemeenschap inzake het welzijn van dieren en meer in het bijzonder inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer.
“1. Alle lange transporten
Ventilatie bij wegvervoermiddelen en temperatuurbewaking
C-424/13, ECLI:EU:C:2015:259) blijkt dat de Transportverordening zich daartegen ook niet verzet. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor het College staat vast dat in dit geval [plaats 2] in [land 1] de eerste lossingsplaats in het derde land van de eindbestemming in de zin van artikel 1 van Pro de Welzijnsverordening is. In het midden kan worden gelaten of Nederland als plaats van vertrek moet worden aangemerkt, zoals verweerder aanvoert, dan wel [plaats 4] in [land 3] , zoals appellante aanvoert, omdat, zelfs indien [plaats 4] als plaats van vertrek moet worden aangemerkt, voor het College vaststaat dat het transport van die plaats naar [plaats 2] in [land 1] meer dan acht uur bedraagt en aldus sprake is van een lang transport in de zin van artikel 2, aanhef en onder m, van de Transportverordening. In dit verband is van belang dat blijkens de door de dierenarts in [plaats 2] opgemaakte verslagen de totale transporttijd van [plaats 4] tot [plaats 2] zeventien uur is en dat appellante ook in de door haar opgestelde afdeling 1 van de journalen heeft vermeld dat de transporttijd van [plaats 4] tot [plaats 2] meer is dan acht uur. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat die transporttijd minder is dan acht uur. Verweerder heeft in het verweerschrift gemotiveerd uiteengezet dat en waarom geen waarde kan worden toegekend aan de tweede verklaring van [naam 3] , waarin deze heeft verklaard dat de totale transporttijd per vrachtwagen acht uur of korter was. Het College volgt verweerder hierin om de volgende redenen. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt strookt de tweede verklaring van [naam 3] niet met diens eerdere verklaring waarin hij heeft verklaard dat de totale transporttijd van [plaats 4] tot [plaats 2] 17 uur bedraagt en evenmin met de verklaring van de dierenarts in de verslagen. Dat, zoals appellante aanvoert, de dierenarts de tweede verklaring van [naam 3] heeft bevestigd door middel van een handtekening en een stempel onder die verklaring, is niet aannemelijk geworden, reeds omdat niet duidelijk is dat die handtekening en stempel van de dierenarts zijn, terwijl, zonder nadere motivering, die ontbreekt, evenmin valt in te zien op grond waarvan de dierenarts zou zijn teruggekomen op zijn verklaring in de verslagen.
30 juni 2011, Viamex Agrar Handel, C-485/09, ECLI:EU:C:2011:440, punt 39).