De vennootschap exploiteert een veeteeltbedrijf met melkvee en Wagyu-runderen en werd in 2017 gecontroleerd op naleving van de meststoffenregelgeving. De minister legde boetes op wegens overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en diverse administratieve overtredingen, waaronder negentien keer niet naar waarheid opgemaakte vervoersbewijzen.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en matigde de boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn. De vennootschap stelde in hoger beroep dat de gebruiksnorm niet was overschreden en dat de boetes onevenredig waren. Het College oordeelde dat de minister terecht uitging van de reguliere gebruiksnorm en dat de alternatieve berekeningen onvoldoende waren onderbouwd.
Verder oordeelde het College dat het bedrijf als geheel moet worden beoordeeld voor de vrijstelling van stro en dat de boetes proportioneel zijn, mede gelet op het boetebeleid en het EVRM. De overschrijding van de redelijke termijn werd bevestigd, waarbij het College de boete voor administratieve overtredingen verder matigde en de uitspraak van de rechtbank deels vernietigde en deels bevestigde.