Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen
Landbouwbedrijf [naam 1] en [naam 2] c.v., te [woonplaats]
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop in beroep
Waar gaat deze zaak over
Wettelijk kader
Aanleiding voor deze procedure
11 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:85) heeft het College het beroep ongegrond verklaard. Het College heeft daarin onder meer geoordeeld dat de vaststelling van het aantal fosfaatrechten van het landbouwbedrijf geen strijd oplevert met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarin het recht op eigendom is neergelegd.
Standpunt van het landbouwbedrijf
Standpunt van de minister
Beoordeling door het College
30 januari 2024, hiervoor aangehaald). Wat het landbouwbedrijf verder aanvoert over de huidige situatie, maakt niet dat in het kader van zijn ontheffingsverzoek en de daarbij te verrichten belangenafweging anders geoordeeld zou moeten worden. Dat de huidige bedrijfseconomische situatie van het landbouwbedrijf kritisch is en het bedrijf mogelijk op een gegeven moment moet stoppen, is door de minister onderkend. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat het landbouwbedrijf met de gevraagde ontheffing de mogelijkheid zou hebben om deel te nemen aan de beëindigingsregeling – dat ligt hier niet ter beoordeling aan het College voor –, is het College van oordeel dat dit financiële belang niet zwaarder moet wegen dan het belang van de minister bij handhaving van het afwijzingsbesluit. Ook heeft het landbouwbedrijf met de overgelegde financiële stukken niet (bedrijfseconomisch) aangetoond dat het onvoldoende financiële middelen heeft om te stoppen met het bedrijf of bij de verkoop van het bedrijf onaanvaardbare schulden overhoudt.
Beslissing
16 juni 2026.