ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6163
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- M.M. van der Kade
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onbevoegdheid en onvoldoende indicaties
Appellant, van Turkse afkomst, werkte vanaf mei 1987 als pakhuismedewerker en werd wegens ziekte arbeidsongeschikt. Gedaagde kende uitkeringen toe, maar trok deze in 1990 in wegens vermeende geringe arbeidsongeschiktheid. Deze intrekking werd vernietigd vanwege een psychiatrisch rapport dat schizofrenie vaststelde. Later weigerde gedaagde opnieuw uitkeringen met het argument dat appellant bij aanvang van de verzekering al volledig arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad constateerde dat het besluit onbevoegd was genomen zonder voorlegging aan de kleine commissie, waardoor het besluit en uitspraak vernietigd werden. Het bezwaar tegen nieuwe besluiten werd deels afgewezen omdat het besluit van een ander bestuursorgaan betreft.
De Raad oordeelde dat onvoldoende en ondubbelzinnige indicaties bestonden voor volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering, mede door tegenstrijdige informatie over ziekteverzuim en functioneren. Het besluit van 3 januari 1995 werd eveneens vernietigd. De Raad veroordeelde gedaagde tot vergoeding van proceskosten en griffierecht en bekritiseerde het niet tijdig overleggen van essentiële informatie.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt vernietigd wegens onbevoegdheid en onvoldoende indicaties van arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering.