ECLI:NL:CRVB:1998:AA8697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.F.M. Brenninkmeijer
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzekeringsplicht statutair directeur-aandeelhouder in advocatenkantoor
Appellante, een besloten vennootschap van advocaten, betwistte de verplichte verzekering van statutair directeur E over de periode 1 juli 1992 tot 1 september 1994. De rechtbank had geoordeeld dat vanwege de ongelijke aandelenverdeling sprake was van een gezagsverhouding, waardoor E verplicht verzekerd was.
De Raad overwoog dat vanaf 17 februari 1993, toen E aandelen verkreeg, sprake was van materiële indicaties dat E gelijkwaardig was aan de andere directeuren/aandeelhouders. Zijn stemrecht in de directievergadering was gelijkwaardig en ontslag kon alleen bij meerderheid van stemmen plaatsvinden. De ongelijke winstverdeling vormde geen aanwijzing voor gezagsverhouding.
De Raad verwierp het standpunt dat vanaf 1 juli 1992 geen gezagsverhouding bestond omdat E toen nog geen aandeelhouder was. Het hoger beroep werd gedeeltelijk gegrond verklaard, waarbij het bestreden besluit en uitspraak werden vernietigd voor de periode na 16 februari 1993. Tevens werd appellante het betaalde griffierecht vergoed.
Deze uitspraak benadrukt het belang van materiële feiten en omstandigheden boven louter juridische vormgeving bij de beoordeling van verzekeringsplicht van directeur-aandeelhouders.
Uitkomst: Verplichte verzekering statutair directeur E na 16 februari 1993 komt te vervallen; griffierecht wordt vergoed.