ECLI:NL:CRVB:1998:AA8749

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
96/7008 AAW/WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • H. Bolt
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen afwijzing herzieningsverzoek AAW/WAO

Appellant heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot herziening van een eerdere uitspraak over zijn uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift niet de vereiste gronden bevatte en appellant deze tekortkoming niet binnen de gestelde termijn herstelde.

Appellant stelde vervolgens verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, maar ook dit verzet werd door de rechtbank ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak stelde appellant hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het karakter van het rechtsmiddel herziening zodanig is dat tegen de beslissing op een verzoek om herziening niet het gewone rechtsmiddel van hoger beroep openstaat. De Raad verklaart zich daarom onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en wijst het beroep af. Er zijn geen gronden aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek.

Uitspraak

96/7008 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Mr J.N.R.M. Aarts, advocaat te Veghel, heeft als gemachtigde van appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 17 juni 1996, waarbij het verzoek van appellant om herziening van een eerdere uitspraak van die rechtbank is afgewezen.
Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingegediend.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 maart 1998, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr P.J.M. Mommers, advocaat te Veghel. Gedaagde is niet verschenen.
II. MOTIVERING
Bij uitspraak van 25 september 1995 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen een besluit van gedaagde inzake de herziening van appellants uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat en appellant de hem geboden gelegenheid om dit verzuim binnen de hem daartoe gestelde termijn te herstellen niet heeft benut.
Bij uitspraak van 16 februari 1996 heeft de rechtbank het door appellant tegen de uitspraak van 25 september 1995 gedane verzet met toepassing van artikel 8:55 van Pro de Awb ongegrond verklaard.
Appellant heeft herziening verzocht van de uitspraak van 16 februari 1996. Dit verzoek, door de rechtbank opgevat als een verzoek om herziening van de uitspraak van
25 september 1995, is bij de aangevallen uitspraak met toepassing van artikel 8:88 van Pro de Awb afgewezen.
Appellant heeft tegen laatstbedoelde uitspraak hoger beroep ingesteld.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet is bepaald dat een belanghebbende en het bestuursorgaan bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep kunnen instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb en tegen een uitspraak van de president van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van Pro die wet, inzake:
a. -kort gezegd- ambtenarenzaken, en
b. besluiten, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij de Beroepswet behoort.
Het bestreden besluit is een besluit als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder b, van de Beroepswet.
De aangevallen uitspraak, inhoudende afwijzing van een verzoek om herziening, is echter niet een uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb, noch een uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van Pro de Awb of een daarmee op een lijn te stellen uitspraak ten gronde die volgt na toewijzing van het verzoek om herziening, doch een uitspraak als bedoeld in titel 8.4 van de Awb.
Voorts wijst de Raad op het karakter van het bijzondere rechtsmiddel herziening, dat in zijn ogen tevens grond biedt voor het oordeel dat ter zake van de beslissing op het verzoek om herziening niet het gewone rechtsmiddel van hoger beroep open kan staan.
Tegen de aangevallen uitspraak kan mitsdien geen hoger beroep worden ingesteld. De Raad is bijgevolg niet bevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart zich onbevoegd.
Aldus gegeven door mr J. Janssen als voorzitter en mr H. Bolt en mr J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van mr M.M. van Maurik als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 1998.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.M. van Maurik.
LK