ECLI:NL:CRVB:1999:AA5045
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- M.A. Hoogeveen
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over uitkeringskorting en vergoeding wettelijke rente onder de Werkloosheidswet
Appellant werd in januari 1992 ontslagen en zijn werkgever kreeg surséance van betaling. Appellant verzocht gedaagde om overname van achterstallige betalingsverplichtingen, wat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor toekenning van wettelijke rente, maar wees overige schadevergoedingen af.
Gedaagde betaalde de pensioenpremie met rente, maar weigerde een zelfstandige vergoeding voor pensioenschade naast wettelijke rente. Appellant stelde dat deze schade anders van aard was dan fiscale schade, maar de Raad oordeelde dat pensioenschade vermijdbaar was en geen zelfstandige vergoeding rechtvaardigde.
De Raad vernietigde het besluit voor zover het bedrag van f 21.708,86 op de uitkering werd ingehouden en oordeelde dat wettelijke verhoging op achterstallig loon niet onder het loonbegrip van de WW valt. Tevens werd de proceskostenveroordeling van de rechtbank herzien en werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in hoger beroep.
De Raad handhaafde de afwijzing van vergoeding van kosten rechtsbijstand wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden. Het beroep tegen latere besluiten werd deels ongegrond verklaard. De uitspraak werd gedaan op 17 augustus 1999 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het besluit tot inhouding van een bedrag op de WW-uitkering wordt vernietigd en gedaagde wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, terwijl aanvullende schadevergoedingen worden afgewezen.