ECLI:NL:CRVB:2001:AJ9794
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.M. van Male
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens onvoldoende bijstandsbehoefte ondanks feitelijke arbeid
Appellante vroeg op 25 februari 1997 een bijstandsuitkering aan, terwijl zij gemiddeld 25 uur per week als oproepkracht in een horecagelegenheid werkte tegen een netto loon van 250 gulden per maand. De gemeente Groningen wees de aanvraag af omdat zij niet aannam dat appellante niet over voldoende middelen beschikte om in haar noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en ook in hoger beroep werd dit standpunt bevestigd. De Raad stelde vast dat bij de beoordeling van het inkomen in beginsel moet worden uitgegaan van de feitelijk verrichte arbeid en de daadwerkelijk ontvangen inkomsten. Hoewel appellante slechts een laag loon ontving, had zij op grond van de Wet op het minimumloon recht op een hoger loon, waardoor sprake was van een fictief inkomen.
De Raad concludeerde dat appellante niet in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde zoals bedoeld in artikel 7 van Pro de Algemene bijstandswet. Er waren geen gronden om het besluit te vernietigen of om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsuitkering wordt bevestigd omdat appellante niet in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert.