ECLI:NL:CRVB:2002:AE7076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar en afwijzing recht op ziekengeld na 1 februari 1999
Appellant, werkzaam als machinebediende, viel uit wegens rugklachten en meldde zich op 30 maart 1998 ziek. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), nam op 8 juli 1998 besluiten dat appellant geen recht had op ziekengeld vanaf 30 maart 1998 en vorderde onverschuldigd betaald ziekengeld terug. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.
Appellant voerde aan dat hij pas na terugkomst uit Marokko en na taalproblemen de besluiten begreep en dat gedaagde hem op zijn vakantieadres had moeten informeren. De Raad oordeelde dat de besluiten rechtsgeldig waren bekendgemaakt op het laatst bekende adres in Nederland en dat geen verschoonbare reden bestond voor de termijnoverschrijding.
Daarnaast is in geschil of appellant vanaf 1 februari 1999 ongeschikt was tot werken en recht had op ziekengeld. De rechtbank had dit ontkennend beoordeeld op basis van medische rapporten. De Raad volgt dit oordeel, omdat geen nieuwe medische gegevens zijn aangevoerd die dit in twijfel trekken.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bezwaren niet-ontvankelijk zijn en dat appellant vanaf 1 februari 1999 geen recht meer heeft op ziekengeld.