ECLI:NL:CRVB:2002:AF3033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.G.M. Simons
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandskosten na wijziging invorderingswijze
Appellanten ontvingen van 1982 tot 1990 een uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, die later werd beëindigd wegens verzwijging van vermogen. De gemeente vorderde terugbetaling van bijstandskosten, vastgesteld door de civiele rechter op f 119.667,--, met maandelijkse termijnen van f 250,--. Na ontvangst van een nabetaling uit hoofde van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en Toeslagenwet in 1998, wijzigde de gemeente de terugvordering naar betaling ineens.
Appellanten voerden aan dat de burgerlijke rechter exclusief bevoegd was en dat de wijziging niet geoorloofd was. De Raad oordeelde echter dat de bestuursrechter bevoegd is om de wijze van invordering aan te passen op grond van artikel 86 Abw Pro en de Wet boeten, ook voor vorderingen die reeds door de civiele rechter zijn vastgesteld.
De Raad stelde vast dat appellanten onvoldoende medewerking verleenden aan het verstrekken van financiële gegevens en dat de nabetaling een veranderde omstandigheid vormde die een aanpassing van de invordering rechtvaardigt. Het beroep van appellanten werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten het restant van de bijstandskosten ineens moeten terugbetalen.