ECLI:NL:CRVB:2019:1438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beslissing UWV over overname niet-genoten vakantiedagen na faillissement werkgever
Appellante was sinds december 2010 in dienst bij een werkgever die in mei 2016 failliet werd verklaard. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst vroeg zij het UWV om overname van betalingsverplichtingen wegens betalingsonmacht, waaronder vakantiegeld. Het UWV weigerde aanvankelijk, maar keerde later een faillissementsuitkering uit op basis van 120,75 vakantie-uren.
Appellante stelde echter dat uit loonstroken bleek dat 58,09 vakantie-uren 'verdwenen' waren en niet waren meegenomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de vordering niet concreet en aan gerede twijfel onderhevig was. In hoger beroep stelde appellante dat volgens de CAO de werkgever de administratie van vakantie-uren moet bijhouden en dat het aan de werkgever is om te bewijzen dat de uren daadwerkelijk zijn opgenomen.
De Raad oordeelde dat de loonstroken een verschil van 58,09 uren tonen zonder verantwoording of paraaf van appellante, waardoor deze vordering concreet en niet aan gerede twijfel onderhevig is. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV en beval een nieuwe beslissing met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen waarbij 58,09 niet-genoten vakantie-uren worden overgenomen.