ECLI:NL:CRVB:2005:AT5285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening arbeidsinschakelingsverplichtingen bij bijstandsgerechtigde
Appellant en zijn echtgenote ontvingen een bijstandsuitkering volgens de Algemene bijstandswet (Abw). In 1999 verleende het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal aan appellant een definitieve ontheffing van arbeidsinschakelingsverplichtingen. Na een heronderzoek in 2002, mede op advies van de GGD-arts, legde het college nieuwe verplichtingen op, met uitzondering van solliciteren en passende arbeid, waarvoor een passend traject werd voorzien.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het eerdere besluit definitieve ontheffing gaf en dat het vertrouwensbeginsel hem beschermt tegen nieuwe verplichtingen. Tevens stelde hij dat het medische advies niet deugdelijk was. De Raad oordeelde dat het college bevoegd is om periodiek te herzien en terug te komen op eerdere besluiten, mede gelet op het doel van de Abw om arbeidsinschakeling te bevorderen.
De Raad achtte het medische advies zorgvuldig en vond dat appellant geen gerechtvaardigde verwachting had dat hij nooit meer verplichtingen zou krijgen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd daarom verworpen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda werd bevestigd en het hoger beroep van appellant afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de herziening van arbeidsinschakelingsverplichtingen bevestigd.