ECLI:NL:CRVB:2005:AT8462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor licht werk
Appellant was bedrijfsleider IT en viel uit wegens pijnklachten aan het staartbeen na een val. Na medisch onderzoek concludeerde de verzekeringsarts dat appellant geschikt was voor licht werk met de mogelijkheid om zijn positie te veranderen ter verlichting van klachten. Gedaagde trok daarop de Ziektewet-uitkering in. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn pijnklachten werden onderschat, ondersteund door medische brieven van zijn behandelend chirurg en oefentherapeut.
De bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige onderzochten de zaak en concludeerden dat er geen objectiveerbare afwijkingen waren die ongeschiktheid voor werk rechtvaardigden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat de MAOC-richtlijn ook van toepassing is op Ziektewet-gevallen, maar dat ook met deze richtlijn appellant niet in zijn verzoek slaagt.
De Raad overweegt dat appellant ondanks pijnklachten in staat moet worden geacht zijn werkzaamheden als bedrijfsleider IT te verrichten, mede gezien de aard van het werk en de mogelijkheden tot afwisseling. Er is geen aanleiding voor een ander oordeel dan bevestiging van het bestreden besluit en afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding.
Uitkomst: De intrekking van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd omdat appellant geschikt wordt geacht voor licht werk.