ECLI:NL:CRVB:2006:AW9253
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WW-uitkering wegens zelfstandige werkzaamheden
Betrokkene was werkzaam als transportmanager bij drie werkgevers en daarnaast als zelfstandige. Na beëindiging van twee dienstverbanden ontving hij WW-uitkeringen gebaseerd op urenverlies. Het UWV trok deze uitkeringen met terugwerkende kracht in, stellende dat betrokkene als zelfstandige meer uren werkte dan opgegeven en daardoor geen recht had op WW. De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende bewijs had om de intrekking te rechtvaardigen en verklaarde het beroep gegrond.
In hoger beroep stelde het UWV dat de verklaringen van betrokkene betrouwbaar waren en dat hij niet beschikbaar was voor arbeid. De Raad stelde vast dat betrokkene gedurende de gehele periode 60 uur per week werkte, deels als werknemer en deels als zelfstandige, waarbij de werkzaamheden door elkaar liepen. De Raad vond geen sprake van ongeoorloofde druk tijdens het onderzoek en achtte de verklaringen van betrokkene juist.
De Raad oordeelde dat er wel sprake was van relevant urenverlies door het beëindigen van dienstverbanden, waardoor betrokkene recht had op WW. De werkzaamheden als zelfstandige leidden tot beëindiging van het recht in die omvang, maar niet tot het gehele verlies van het recht. Het bestreden besluit berustte op een onjuiste wettelijke grondslag en werd vernietigd. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WW-uitkering wordt vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.