ECLI:NL:CRVB:2006:AV8250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beschikbaarheid voor arbeid volgens artikel 16 WW en recht op WW-uitkering
Gedaagde was sinds november 2002 in dienst bij een bedrijf dat vanaf maart 2003 niet meer in staat was loon te betalen en de samenwerking stopzette, zonder de dienstbetrekking formeel te beëindigen. Gedaagde schreef zich in april 2003 in als handelsagent en zocht actief naar werk, zowel als zelfstandige als in loondienst. Hij vroeg in november 2003 een WW-uitkering aan, die werd afgewezen wegens onvoldoende beschikbaarheid voor arbeid als werknemer.
De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege onvoldoende onderzoek naar de beschikbaarheid. De Raad bevestigt dit oordeel, oordeelt dat het begrip 'beschikbaar om arbeid te aanvaarden' in artikel 16 WW Pro niet beperkt is tot arbeid als werknemer, maar ook zelfstandige arbeid omvat. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en wetsgeschiedenis die bevestigen dat beschikbaarheid voor arbeid ook zelfstandige arbeid omvat, mits de werknemer zich niet ondubbelzinnig heeft uitgesloten van de arbeidsmarkt.
De Raad concludeert dat gedaagde zich voldoende beschikbaar heeft gesteld en dat het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onterecht is. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens wordt een recht van €422 aan het uitvoeringsinstituut opgelegd.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de WW-uitkering wordt vernietigd omdat gedaagde zich beschikbaar stelde voor arbeid, ook als zelfstandige.