ECLI:NL:CRVB:2006:AY5317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening nabestaandenuitkering ondanks terugvordering en redelijke termijn
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), die deels inkomensafhankelijk was geworden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag haar uitkering over meerdere perioden vanwege inkomen uit arbeid en vorderde te veel ontvangen bedragen terug. Appellante maakte bezwaar tegen deze herzieningen en stelde dat zij tijdig wijzigingen had doorgegeven en dat de Svb onterecht het verbod van reformatio in peius had geschonden.
De Raad oordeelde dat appellante niet had aangetoond dat de berekeningen onjuist waren en dat de Svb terecht de overhevelingstoeslag als inkomen had betrokken. Tevens werd vastgesteld dat appellante niet altijd tijdig haar inkomenswijzigingen had doorgegeven, wat verwijtbaar was, maar ook de Svb enige verwijtbaarheid trof vanwege het niet tijdig verwerken van inkomensopgaven.
De Raad bevestigde dat de Svb conform haar beleidsregels had gehandeld door geen volledige terugwerkende kracht als kennelijk onredelijk te beschouwen. De rechtbank had eerder het beroep van appellante afgewezen, waarbij werd geoordeeld dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM Pro niet was overschreden. De Raad onderschreef dit oordeel en wees een verzoek om proceskostenvergoeding af.
De uitspraak bevestigt de herziening van de nabestaandenuitkering en de terugvordering van te veel ontvangen bedragen, waarbij de belangen van appellante zorgvuldig zijn afgewogen tegen het beleid en de wettelijke verplichtingen van de Svb.
Uitkomst: De herziening van de nabestaandenuitkering en terugvordering door de Sociale verzekeringsbank worden bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.