ECLI:NL:CRVB:2006:AY9206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling alleenstaandennorm bij bijstandsuitkering en alleenstaande ouder
Betrokkene vroeg bijstand aan op basis van de alleenstaandennorm. De gemeente ’s-Gravenhage kende hem een uitkering toe volgens deze norm en verklaarde het bezwaar tegen deze toepassing ongegrond. De rechtbank oordeelde echter dat betrokkene als alleenstaande ouder moest worden aangemerkt, omdat hij de volledige zorg had voor zijn kind, en vernietigde het besluit van de gemeente.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelde vast dat de feitelijke verblijfplaats van het kind niet doorslaggevend is voor de vraag of sprake is van volledige zorg. Uit de memorie van toelichting bij de Algemene bijstandswet volgt dat het gaat om feitelijk optreden als hoofd van een eenoudergezin.
Betrokkene verzorgt zijn zoon sinds diens derde levensmaand en de moeder woonde in Suriname. Er was geen bewijs dat anderen de zorg hadden. Bovendien ontving betrokkene kinderbijslag voor het kind. Daarom moet hij als alleenstaande ouder worden aangemerkt en heeft de rechtbank terecht het beroep gegrond verklaard.
De Raad veroordeelde de gemeente tot betaling van de proceskosten en bepaalde dat de gemeente een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Betrokkene wordt aangemerkt als alleenstaande ouder en de bijstand wordt berekend volgens de alleenstaande ouder norm.