ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid na ontslag
Betrokkene had een dienstverband bij een werkgever die het contract per 1 januari 2002 beëindigde wegens slechte economische omstandigheden. Betrokkene vroeg een WW-uitkering aan met ingang van die datum. Appellant weigerde de uitkering omdat betrokkene niet tijdig bezwaar had gemaakt tegen het ontslag, waardoor hij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden.
De rechtbank oordeelde dat het ontslag pas rechtsgeldig was vanaf 15 december 2002, na het verkrijgen van een ontslagvergunning, en dat betrokkene vanaf die datum recht had op een WW-uitkering. De Raad stelt echter vast dat betrokkene vanaf 1 januari 2002 zijn arbeidsuren verloor en dat er geen onderbouwd bewijs is dat hij na die datum werkzaamheden heeft verricht.
De Raad oordeelt dat appellant onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de verwijtbaarheid van de werkloosheid, met name of betrokkene onnodig actief of passief heeft meegewerkt aan het ontslag. Hierdoor is het bestreden besluit gebaseerd op een ondeugdelijke grondslag en wordt het bevestigd dat betrokkene recht heeft op een WW-uitkering vanaf 15 december 2002. Tevens veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd als onrechtmatig en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.