ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7665
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering bij hersteldverklaring met onjuiste maatstaf arbeid
Appellante was werkzaam in een confectieatelier van een familielid met uitzonderlijk verlichtende werkomstandigheden, zoals vrijheid in werktijden en rustmomenten. Zij meldde zich ziek wegens rug- en psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering sinds 19 maart 2002. Het UWV beëindigde deze uitkering per 30 december 2002 op grond van een hersteldverklaring waarbij de maatstaf arbeid onjuist werd vastgesteld.
De Raad overweegt dat de maatstaf arbeid in beginsel de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid is, maar dat specifieke uitzonderlijke verlichtende omstandigheden buiten beschouwing moeten blijven. In deze zaak was sprake van een uitzonderlijke situatie waarin appellante haar werk kon aanpassen aan haar klachten zonder tijdsdruk of fysieke belasting.
De Raad concludeert dat de arbeid die appellante verrichtte niet als maatstaf kan gelden en dat het UWV ten onrechte de uitkering heeft beëindigd. De aangevallen uitspraak en de besluiten van het UWV worden vernietigd. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden. Een verzoek tot schadevergoeding wordt niet toegewezen vanwege onvoldoende inzicht in de schade.
Uitkomst: De besluiten van het UWV tot beëindiging van de Ziektewet- en WAO-uitkering worden vernietigd wegens onjuiste maatstaf arbeid.