ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 1989 een bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder. Na onderzoek door de sociale recherche bleek dat zij vanaf 1 juli 1997 tot 31 maart 2005 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant, ondanks dat zij formeel aparte adressen aanhielden.
Het onderzoek omvatte huisbezoeken, getuigenverklaringen en analyse van water- en energieverbruik. Uit de bevindingen bleek dat appellante feitelijk bij appellant woonde, zorg droeg voor elkaar, financiële zaken deelde en huishoudelijke taken verrichtte. Hierdoor werd de bijstand onterecht verleend volgens de normen voor een alleenstaande.
Het College trok de bijstand met ingang van 1 juli 1997 in en vorderde de kosten van bijstand terug van appellante en mede van appellant. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het College terecht heeft gehandeld op grond van de Wet werk en bijstand en de Algemene bijstandswet.
Er zijn geen dringende redenen voor het niet terugvorderen van de bijstandskosten, en de bezwaren van appellanten worden verworpen. De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt de eerdere uitspraken.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en de terugvordering van de kosten worden bevestigd wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.