ECLI:NL:CRVB:2007:BA0586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit boete meerinkomen studiefinanciering wegens schending hoor- en redelijke termijn
Appellant maakte bezwaar tegen een door de IB-Groep opgelegde vordering wegens meerinkomen over het jaar 1996, inclusief een boetecomponent. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het nadere besluit ongegrond. Appellant stelde onder meer dat hij niet gehoord was voorafgaand aan het besluit en dat de procedure de redelijke termijn had overschreden.
De Raad oordeelt dat de boetecomponent kwalificeert als een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM Pro en dat het niet horen van appellant in bezwaar en voorafgaand aan het besluit in strijd is met de waarborgen van het EVRM en het IVBPR. Tevens is de redelijke termijn overschreden, waardoor matiging van de boete met 10% wordt opgelegd.
De Raad vernietigt het besluit van 1 mei 2001 en verklaart het beroep gegrond. Er wordt bepaald dat de IB-Groep een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak en het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.
De Raad overweegt verder dat de fiscale nulaanslag deels door appellant zelf is veroorzaakt en dat de hardheidsclausule niet van toepassing is. De boete is in redelijke verhouding tot de ernst van de overtreding en er is geen sprake van afwezigheid van schuld.
De rente over de vordering dient opnieuw te worden berekend naar aanleiding van de matiging van de boete.
Uitkomst: Het besluit tot oplegging van de boete wegens meerinkomen wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard met matiging van de boete en vergoeding van griffierecht.