Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen sinds 2012 bijstand op grond van de Participatiewet, waarbij hun vermogen aanvankelijk voorlopig was vastgesteld. Na een heronderzoek stelde het college in 2021 het vermogen met terugwerkende kracht definitief vast op een hoger bedrag vanwege levens- en begrafenisverzekeringen die niet waren vermeld bij de aanvraag. Het college corrigeerde later een onjuiste mededeling over een vermeende schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen deze vermogensvaststelling ongegrond. In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat appellanten geen procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit, omdat hun bijstand per 1 januari 2023 is beëindigd en de vermogensvaststelling geen invloed meer heeft op hun uitkering.
Appellanten voerden aan dat zij schade hebben geleden door aantasting van hun eer en goede naam door de onjuiste mededeling in het primaire besluit. De Raad erkent dat dit een civielrechtelijke schadevergoeding kan rechtvaardigen, maar oordeelt dat het bestuursrechtelijk bestreden besluit voldoende zorgvuldig is gemotiveerd en voorbereid. Het hoger beroep slaagt daarom niet.
Verder is het beroep op overschrijding van de redelijke termijn van de procedure ongegrond, omdat de termijn pas begon te lopen bij ontvangst van het bezwaarschrift in 2022 en nog geen vier jaar heeft geduurd. Het verzoek om vergoeding van proceskosten en griffierecht wordt afgewezen.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; geen procesbelang bij inhoudelijke beoordeling vermogensvaststelling en geen schadevergoeding toegekend.