ECLI:NL:CRVB:2008:BC3135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1984 bijstand op grond van de WWB als alleenstaande. Naar aanleiding van een tip startte het College een onderzoek naar haar woonsituatie, waaruit bleek dat zij sinds 2003 een gezamenlijke huishouding voerde met een partner zonder dit te melden. Het College trok daarom de bijstand per 20 juni 2005 in en verklaarde bezwaren ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit.
De Centrale Raad van Beroep constateerde dat het College ten onrechte de bevoegdheid voor intrekking op de Algemene bijstandswet baseerde in plaats van de WWB, waardoor het besluit op bezwaar vernietigd werd. Desondanks oordeelde de Raad dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding, waardoor het College terecht de bijstand introk.
De Raad wees ook formele klachten van appellante af, waaronder het ontbreken van een hoorzitting voorafgaand aan het besluit, en concludeerde dat de besluitvorming op een deugdelijke feitelijke grondslag berustte. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven gehandhaafd en het College werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd, maar de rechtsgevolgen van de intrekking van de bijstand blijven in stand.