ECLI:NL:CRVB:2008:BC4069
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijzondere bijstand voor aflossing huurschuld wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor een openstaande huurschuld van €1.268,18 die was ontstaan door achterstallige huurbetalingen van augustus 2003 tot november 2004. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum wees de aanvraag af op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (WWB), omdat bijstandsverlening voor schulden in principe niet wordt verleend als de aanvrager ten tijde van het ontstaan van de schuld beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Appellante voerde aan dat er sprake was van zeer dringende redenen voor het verlenen van bijzondere bijstand, onder meer vanwege haar psychische gesteldheid en eerdere bijstand voor een andere schuld. De Raad oordeelde echter dat een langdurige en grote schuldenlast op zichzelf geen zeer dringende reden vormt en dat geen sprake was van een dreigende huisuitzetting. De psychische gesteldheid was onvoldoende onderbouwd met feiten en omstandigheden. Ook de eerdere bijstand voor een andere schuld rechtvaardigde geen afwijking van het beleid.
De Raad concludeerde dat het College terecht het verzoek om bijzondere bijstand heeft afgewezen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Maastricht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijzondere bijstand wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.