ECLI:NL:CRVB:2008:BD1411
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- M.C.M. van Laar
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Weigering WAJONG-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en juiste toetsing volgens AAW en Wajong
Betrokkene vroeg op 9 oktober 2004 een WAJONG-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid sinds 15 maart 1988. Een verzekeringsarts stelde vast dat betrokkene belastbaar was voor diverse werkzaamheden met beperkingen en dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair op 8 december 1990 werd vastgesteld. De arbeidsdeskundige concludeerde dat passende functies beschikbaar waren per 9 oktober 2003, waarbij geen sprake was van verlies aan verdiencapaciteit.
Het UWV weigerde de uitkering omdat betrokkene minder dan 25% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat het UWV volgens haar niet eerst het recht op uitkering volgens de AAW had beoordeeld en onvoldoende onderzoek had gedaan naar een bijzonder geval. De Centrale Raad oordeelde echter dat het UWV terecht de aanvraag mede aan de hand van de AAW beoordeelde en dat er geen bijzonder geval was dat een afwijking rechtvaardigde.
De Raad bevestigde dat de arbeidsdeskundige de beoordeling terecht had uitgevoerd per 9 oktober 2003 met het CBBS en dat de belastbaarheid volgens de functionele mogelijkhedenlijst correct was vastgesteld. Er was geen reden om psychische beperkingen aan te nemen. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee de weigering van de WAJONG-uitkering stand hield.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAJONG-uitkering blijft gehandhaafd.