Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2008:BD8818

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/4138 WAO + 06/4642 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 6:13 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering en beoordeling arbeidsongeschiktheid met aanpassingen CBBS

Betrokkene, werkzaam als medewerkster pensioenen, viel in februari 2002 uit wegens hoofdpijnklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Het UWV herzag deze uitkering in 2005 naar 15 tot 25%, wat betrokkene aanvocht. De rechtbank Breda verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het arbeidskundige gedeelte van het besluit, omdat het UWV onvoldoende transparantie en toetsbaarheid bood in het gebruikte Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de arbeidskundige component geen zelfstandig deelbesluit vormt en dat de rechtbank onterecht het besluit deels vernietigde. De Raad stelt dat het aangepaste CBBS-systeem voldoende signaleringen en onderbouwingen biedt en vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het het arbeidskundige deel betreft. Het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak, terwijl de overige delen van het besluit in stand blijven.

De Raad wijst erop dat subjectieve klachtenbeleving geen doorslaggevende rol speelt bij de vaststelling van beperkingen volgens de WAO en dat betrokkene geen medische informatie heeft overgelegd die het oordeel van het UWV zou kunnen betwisten. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven ongewijzigd.

Uitkomst: Het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen, het overige besluit blijft in stand.

Uitspraak

06/4138 WAO
06/4642 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
en
[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juli 2006, 06/768 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
betrokkene
en
het Uwv.
Datum uitspraak: 15 juli 2008
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Dit geding is bij de Raad geregistreerd onder nummer 06/4138. In dit geding heeft het Uwv een vraag van de Raad beantwoord en een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 28 februari 2008 ingezonden.
Namens betrokkene heeft mr. J.T.F. van Berkel van SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer hoger beroep ingesteld. Dit geding is bij de Raad geregistreerd onder nummer 06/4642. In dit geding heeft het Uwv een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de gedingen gevoegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2008. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.S. van Daatselaar. Betrokkene en haar gemachtigde zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Betrokkene was werkzaam als medewerkster pensioenen. Zij is in februari 2002 uitgevallen als gevolg van hoofdpijnklachten. Het Uwv heeft haar met ingang van 21 februari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2. Bij besluit van 24 augustus 2005 heeft het Uwv deze herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Het Uwv heeft bij besluit van 4 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit) het besluit van 24 augustus 2005 gehandhaafd.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en het bestreden besluit voor het overige in stand gelaten. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven ter zake van griffierecht en proceskosten.
4. Met verwijzing naar zijn uitspraken van 16 maart 2005, LJN: AT1852, en 23 januari 2008, LJN: BC2880, overweegt de Raad allereerst, ambtshalve, dat de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet is aan te merken als een zelfstandig deelbesluit. Een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling bestaat derhalve niet uit onderdelen van een besluit als bedoeld in (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zoals de Raad in de uitspraken van 16 maart 2005 en 23 januari 2008, alsook in zijn uitspraak van 28 november 2007, LJN: BB9311, heeft overwogen, betekent dit dat voor gedeeltelijke vernietiging geen plaats is.
5. Met betrekking tot het hoger beroep van betrokkene overweegt de Raad als volgt.
5.1. Betrokkene heeft in hoger beroep gesteld dat haar mate van arbeidsongeschiktheid hoger dient te worden vastgesteld vanwege haar medische klachten, dat de rechtbank ten onrechte niet op deze klachten is ingegaan en dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv ten onrechte heeft aangegeven dat het om subjectieve klachten zou gaan.
5.2. De Raad stelt vast dat zijdens het Uwv beoordeling van de medische klachten van betrokkene heeft plaats gevonden door een verzekeringsarts en, in bezwaar, door een bezwaarverzekeringsarts, waarbij informatie is ingewonnen bij de betrokkene behandelend medisch specialist. Bij deze beoordeling is rekening gehouden met de hoofdpijnklachten van betrokkene en de behandelingen die zij in verband daarmee heeft ondergaan. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de gedingstukken niet kan worden afgeleid dat het Uwv bij betrokkene de beperkingen bij het verrichten van arbeid niet juist zou hebben vastgesteld. De Raad tekent hierbij aan dat ingevolge de WAO de beperkingen een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg dienen te zijn van ziekte. Dit brengt met zich dat aan subjectieve klachtenbeleving geen doorslag-gevende betekenis kan toekomen.
Door betrokkene is, ook in hoger beroep, geen medische informatie overgelegd die zou kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen.
5.3. Gelet op bovenstaande overwegingen slaagt het hoger beroep van betrokkene niet.
6. Met betrekking tot het hoger beroep van het Uwv overweegt de Raad het volgende.
6.1. Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar haar uitspraak van 3 januari 2006, LJN: AU9030, overwogen dat het Uwv naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, zie LJN: AR4716 en volgende, weliswaar aanpassingen heeft gepleegd aan het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), maar dat niet alle aan dat systeem klevende gebreken daarmee zijn opgeheven. Naar haar oordeel zou dat wel het geval zijn als in de Functionele Mogelijkheden Lijst (of door middel van het verstrekken van een lijst) de normaal-waarden inclusief interpretatiekader van het CBBS-handboek (zoals frequentie) worden weergegeven, én indien ten aanzien van alle signaleringen wordt verklaard waarom de functie ondanks die signaleringen geschikt kan worden geacht. Nu in het voorliggende geval niet aan laatstgenoemde vereisten is voldaan, ontbeert de onderhavige schatting naar het oordeel van de rechtbank een als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid, zodat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
6.2. Het Uwv heeft de juistheid van het oordeel van de rechtbank op dit punt betwist en zich op het standpunt gesteld dat met de door hem gepleegde aanpassingen aan het CBBS een juiste uitvoering is gegeven aan de hierboven bedoelde uitspraken van de Raad van 9 november 2004. Naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 heeft het Uwv een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J. Kalthof van 28 februari 2008 in het geding gebracht.
6.3. In zijn uitspraken van 12 oktober 2006, LJN: AY9971 (enzovoorts), inzake de door het Uwv naar aanleiding van de hiervoor vermelde uitspraken van de Raad van 9 november 2004 aan het CBBS aangebrachte aanpassingen, heeft de Raad overwogen het genoegzaam aannemelijk te achten dat het aangepaste systeem, zowel bij de matchende als bij de niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in de geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde alle onderkent en signaleert. Deze overschrijdingen zullen zich doorgaans kunnen voordoen indien een verzekerde door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaal-waarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde. Met evenbedoeld onderkennen en signaleren wordt bereikt dat voor alle betrokkenen - de verzekerde zelf, diens eventuele rechtshulpverlener alsmede de rechter - op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar is dat een gemotiveerde toelichting, onder omstandigheden als resultaat van voorafgaand overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts, noodzakelijk is ter onderbouwing van de passendheid van de betreffende functies.
6.4. In zijn uitspraak van 22 februari 2008, LJN: BC4826, heeft de Raad voorts overwogen dat het oordeel van de rechtbank dat een toereikende inzichtelijkheid en toetsbaarheid van de schatting slechts wordt bereikt als het Uwv een lijst met normaalwaarden inclusief interpretatiekader verstrekt, geen steun vindt in de hiervoor samengevatte rechtspraak van de Raad.
6.5. Aldus kan de rechtbank niet worden gevolgd in haar zienswijze dat het bestreden besluit niet geacht kan worden zorgvuldig te zijn tot stand gekomen en deugdelijk te zijn gemotiveerd.
6.6. Op grond van het geheel van de voorliggende CBBS-gegevens, in samenhang bezien met de verzekeringsgeneeskundige en de in hoger beroep ingebrachte arbeidskundige rapportage, is thans voldoende inzichtelijk en toetsbaar dat de als grondslag voor de schatting in aanmerking genomen functies, ook werkelijk geschikt zijn te achten voor betrokkene.
6.7. Dit alles leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit is vernietigd, het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak, en het bestreden besluit voor het overige in stand is gelaten. Dit betekent dat de gegrondverklaring van het beroep en de beslissingen ter zake van griffierecht en proces-kosten in stand blijven. Doende hetgeen de rechtbank voor het overige zou behoren te doen, zal de Raad vervolgens het bestreden besluit geheel vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.
7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit is vernietigd, het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak, en het bestreden besluit voor het overige in stand is gelaten;
Vernietigt het bestreden besluit in geheel;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H.G. Rottier en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2008.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) I.R.A. van Raaij.
RB