ECLI:NL:CRVB:2007:BB9311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling indicatiebesluit verblijf langdurend verzorgingshuis onder AWBZ
Betrokkene, geboren in 1931, werd in maart 2006 tijdelijk opgenomen in een verpleeghuis vanwege risico op vallen en toezicht op medicijngebruik. Hij verzocht vervolgens om een indicatie voor verblijf langdurend in een verzorgingshuis, welke door het indicatieorgaan (appellante) werd afgewezen na onderzoek en advies van een multidisciplinair team. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze afwijzing, waarna de voorzieningenrechter het besluit vernietigde en appellante opdroeg een nieuw besluit te nemen.
Appellante stelde in hoger beroep dat het indicatiebesluit juist was genomen, omdat de benodigde zorg in de thuissituatie adequaat kon worden geleverd en betrokkene voldoende regievermogen had. De Raad overwoog dat het indicatieorgaan geen beoordelingsvrijheid heeft bij de uitleg van toepasselijke voorschriften en dat de bestuursrechter de uitleg volledig moet toetsen. Nieuwe feiten na het primaire besluit konden niet in het beroep worden betrokken.
De Raad concludeerde dat appellante niet gehouden was tot nader onderzoek naar psychisch en sociaal functioneren, omdat betrokkene onvoldoende objectieve gegevens aanleverde. Het multidisciplinair team voldeed aan de wettelijke eisen en het advies van het College voor zorgverzekeringen was niet onvolledig. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. De voorlopige voorziening werd opgeheven en proceskosten werden toegewezen aan appellante voor het verzoek om voorlopige voorziening.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de indicatie verblijf langdurend wordt ongegrond verklaard.