ECLI:NL:CRVB:2008:BG5792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WAO-uitkering en procesbelang werkgever bij vervolguitkering
De zaak betreft het hoger beroep van het UWV en de werkgever tegen een uitspraak van de rechtbank Alkmaar over de toekenning en voortzetting van een WAO-uitkering aan een werknemer. De werknemer werd vanaf 11 mei 1998 volledig arbeidsongeschikt geacht, mede op basis van medische rapporten en een functionele mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank had het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van een urenbeperking, maar de Raad stelt vast dat de overige beperkingen in de FML wel aannemelijk zijn. De werkgever stelde dat het ontbreken van een eerstejaarsherbeoordeling gevolgen had voor de voortzetting van de uitkering, maar de Raad oordeelt dat het bezwaar tegen de vervolguitkering niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang, mede omdat de werkgever tot 2003 premiedifferentiatie niet meer ondervond.
De Raad weegt verschillende medische rapporten, waaronder een psychologisch onderzoek en een rapport van de behandelend psychiater, en concludeert dat de volledige WAO-uitkering terecht is toegekend. Het rapport van de psycholoog namens de werkgever wordt minder zwaar gewogen vanwege tekortkomingen. De Raad bevestigt dat het belang van de werknemer bij geheimhouding van medische gegevens zwaarder weegt dan het belang van de werkgever bij inzage.
De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het de vervolguitkering betreft, verklaart het bezwaar tegen dat besluit niet-ontvankelijk, en verklaart het beroep van de werkgever voor het overige ongegrond. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de werkgever.
Uitkomst: Het bezwaar van de werkgever tegen de vervolguitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; de volledige WAO-uitkering vanaf 11 mei 1998 blijft gehandhaafd.