ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekening WAO-uitkering aan eigenrisicodragende werkgever
De werknemer was als chauffeur in dienst bij appellant en viel uit wegens arbeidsongeschiktheid. Na toekenning van een WAO-uitkering aan de werknemer werd appellant eigen risicodrager voor de WAO. Het UWV besloot dat appellant vanaf dat moment de WAO-uitkering moest betalen zolang deze nog geen vijf jaar duurde. Appellant maakte bezwaar tegen deze toerekening, stellende dat dit in strijd zou zijn met diverse wettelijke en internationale bepalingen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en verwees de zaak terug. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, waaronder de stelling dat de toerekening in strijd zou zijn met het EVRM en de verzekeringsgedachte.
De Raad overwoog dat het op de weg van de werkgever ligt om bij het aangaan van het eigen risicodragerschap de voor- en nadelen af te wegen, waaronder de beperkte periode van toerekening. De Raad verwierp de stelling dat sprake is van ongelijke behandeling of strijd met internationale verdragen. Ook achtte de Raad de wettelijke bepalingen duidelijk en niet in strijd met de verzekeringsgedachte. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eigenrisicodragende werkgever aansprakelijk blijft voor de WAO-uitkering vanaf het moment dat hij eigen risicodrager werd.